Auteur van deze pagina: Anneke van der Lee en Soraya Hoegee


0. Praktische informatie voor taalonderzoek


Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Het Spaans is een wereldtaal die in sommige opzichten overeenkomsten heeft met het Nederlands, echter zijn er ook verschillen tussen de talen. Hierdoor kunnen er problemen ontstaan in de fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek als gevolg van transfer. Als deze problemen worden geconstateerd tijdens het spreken van de Nederlandse taal, hoeft dit dus niet op een taalontwikkelingsstoornis te duiden.

Fonologie
Uitspraak
In het Spaans zijn er een aantal andere klanken dan wij in het Nederlands kennen. De Spaanse u wordt namelijk uitgesproken als een oe, maar de u wordt weer niet uitgesproken in de volgende combinaties: gue, gui, que en qui. Daarnaast kent het Spaans geen combinatie van twee dezelfde medeklinkers, behalve in leenwoorden. De medeklinkers die naast elkaar staan, als ll en ch worden beschouwd als één letter. Tot slot kent het Spaans vaste regels voor de klemtoon, de laatste letter is hier bepalend in: wanneer een woord eindigt op een klinker, n of s, valt de klemtoon op de voorlaatste lettergreep en wanneer een woord op een medeklinker (behalve n of s) eindigt valt de klemtoon op de laatste lettergreep.

Morfologie
Naamwoorden
Het Spaans kent mannelijke en vrouwelijke zelfstandig naamwoorden. Hier zijn algemene regels voor. De overeenkomst tussen geslacht en woorden is belangrijk. De lidwoorden en bijvoeglijke naamwoorden komen qua geslacht en getal overeen met het zelfstandig naamwoord. Daarnaast wordt het bijvoeglijk naamwoord juist achter het zelfstandig naamwoord geplaatst in het Spaans.

Lidwoorden
De lidwoorden zijn ook gekoppeld aan geslacht, zelfs het onbepaald lidwoord. Het wordt in sommige gevallen anders gebruikt dan in het Nederlands. Er wordt geen lidwoord gebruikt in bijstellingen waar de inhoud bekend is, bij rangtelwoorden in titels, jaargetijden en vervoersmiddelen die niet omschreven worden. Het onbepaald lidwoord wordt alleen gebruikt bij een telbaar zelfstandig naamwoord.

Werkwoorden
Spaans is een pro-drop taal, waar veel minder root infinitives worden gebruikt. Daarnaast kent het Spaans meer werkwoordstijden en wordt het werkwoord vrijwel meteen vervoegd, omdat het onderwerp erin verwerkt zit. Een expliciet onderwerp wordt in het Spaans vaak niet benoemd.

Syntaxis
De woordvolgorde is in principe hetzelfde als in het Nederlands (SVO), maar soms komt het onderwerp na het werkwoord. Na directe reden en in vraagzinnen (hetzelfde als Nederlands) en wanneer de zin begint met een bijwoord en de spreker extra aandacht wil voor het onderwerp. In een ontkennende zin staat de ontkenning no voor het vervoegde werkwoord en wanneer er sprake is van een dubbele ontkenning staat no voor het werkwoord en het tweede deel, bijvoorbeeld nadie achter het werkwoord.

Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
  • Laat het kind voorzetsels en bepalingen weg?
  • Is het vaak zo dat geslacht en/of getal van onderwerp en werkwoord niet overeenkomen?
  • Komt het regelmatig voor dat het geslacht van bepalingen niet klopt?
  • Wijkt de mate waarop het kind het Spaans beheert substantieel af van waar het volgens de typische verwervingsvolgorde zou moeten zijn? (Zie verwervingsvolgorde)

1. Algemene informatie


De Spaanse taal (ook wel Castiliaans genoemd) wordt door ongeveer 350 miljoen mensen wereldwijd gesproken. Hiermee is het Spaans de tweede taal ter wereld, na het Engels. Het is de officiële taal in 21 landen: in Spanje, Equatoriaal-Guinea (Afrika) en in grote delen van Zuid- en Midden-Amerika: Argentinië, Bolivia, Chili, Colombia, Costa Rica, Cuba, de Dominicaanse Republiek, Ecuador, El Salvador, Guatemala, Honduras, Mexico, Nicaragua, Panama, Paraguay, Peru, Puerto Rico, Venezuela en Uruguay. Naast deze landen wordt er ook in de Verenigde Staten door veel mensen Spaans gesproken (30 miljoen) en op de Filipijnen. In deze landen is het Spaans niet de officiële taal.

Het Spaans behoort tot de Romaanse talen. Deze talen zijn voortgekomen uit het Latijn, de taal van de Romeinen. Onder de Romaanse talen vallen ook het Frans, Italiaans, Portugees en Roemeens. Het Spaans toont vooral veel overeenkomsten met het Portugees, beide talen vallen namelijk binnen de zogenaamde Ibero-Romaanse talen. In Spanje zelf zijn nog vier talen die erkend zijn door de overheid, de officiële regionale talen: het Catalaans, Baskisch, Galicisch en het Aranees. Daarnaast zijn er nog twee talen die niet officieel erkend zijn: het Asturisch en het Aragonees.

Verder zijn er verschillen tussen het Spaans dat in Spanje gesproken wordt en het Spaans dat in Zuid- en Midden-Amerika gesproken wordt. Zo worden er soms andere woorden gebruikt en op sommige punten verschilt de grammatica van elkaar. In deze tekst zal alleen het Castiliaans worden behandeld. Voor meer informatie over de taal in Zuid- en Midden-Amerika zie Thompson (1992). Ook binnen Spanje bestaan er vele dialecten, zoals het Andalusisch in Andalusië. Het voert te ver om daarop in te gaan. Voor meer informatie over de verschillende dialecten in Spanje: zie Hernández-Campoy (2011).

Een laatste opmerking over de Spaanse taal is het feit dat het Spaanse alfabet 29 letters kent; er zijn namelijk drie letters die het Nederlandse alfabet niet heeft: de ch, ll, en de ñ.

2. Taalstructuur


Fonologie
De fonologie is dat deel van de taal wat met de klanken te maken heeft. Hier wordt ingegaan op de verschillen van de Spaanse en de Nederlandse klanken.

Klinkers
In het Spaans worden de klinkers duidelijk uitgesproken (nooit zoals de Nederlandse e in poppen). De uitspraak ligt tussen de Nederlandse korte en lange klinker in. Dit geldt niet voor de i. De i wordt uitgesproken als de Nederlandse ie. De Spaanse u wordt uitgesproken als de oe. De u wordt niet uitgesproken in de volgende combinaties: gue, gui, que en qui.

Medeklinkers
De Spaanse taal kent geen combinatie van twee dezelfde medeklinkers, alleen bij leenwoorden. Twee c’s komen wel voor maar beide c’s worden op een andere manier uitgesproken. De lettercombinatie ch wordt beschouwd als één letter en wordt uitgesproken als ch in het Engelse much. Ook de lettercombinatie ll wordt als één letter beschouwd en uitgesproken als j. Daarnaast wordt de lettercombinatie rr (sterk rollende r) als één letter beschouwd. Tenslotte zijn er nog medeklinkers die anders worden uitgesproken dan in het Nederlands:
  • c wordt voor de e en i uitgesproken als th in het Engelse truth, voor de a, o en u en aan het eind van een lettergreep/woord als k;
  • d wordt aan het eind van een woord zwak uitgesproken;
  • g wordt voor de e en i als ch in schoen uitgesproken, voor de a, o en u en voor medeklinkers als g in het Franse garçon;
  • h wordt niet uitgesproken;
  • j wordt uitgesproken als ch in lachen;
  • ñ wordt uitgesproken als nj in oranje;
  • s wordt niet uitgesproken voor een r;
  • v wordt uitgesproken als b;
  • y wordt uitgesproken als j, en als voegwoord als ie;
  • z wordt uitgesproken als th in het Engelse truth.

Klemtoon
Het Spaans kent vaste regels voor de klemtoon. Wanneer een woord eindigt op een klinker, n of s, valt de klemtoon op de voorlaatste lettergreep. De klemtoon valt op de laatste lettergreep wanneer een woord op een medeklinker (behalve n of s) eindigt. Een geschreven accent geeft aan dat de klemtoon op die lettergreep ligt: dit zijn dus de uitzonderingen.

Morfologie
De morfologie gaat over het vormen van woorden: hoe zijn de woorden opgebouwd? Eerst worden de zelfstandig naamwoorden beschreven, vervolgens de bijvoeglijke naamwoorden, lidwoorden en ten slotte de werkwoorden.

Zelfstandige naamwoorden
In het Spaans zijn er mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden. Er zijn algemene regels voor het geslacht. Een woord is mannelijk wanneer het op een mannelijk persoon slaat, wanneer het woord eindigt op een –o, een medeklinker of een beklemtoonde klinker. Maar er zijn ook uitzonderingen op deze regels. Vrouwelijk zijn de letters van het alfabet, de woorden die betrekking hebben op een vrouwelijk persoon of die eindigen op een –a, -ión, -dad, -tad of –ez. Het meervoud wordt gevormd door een –s achter het woord te zetten wanneer dit eindigt op een klinker. Wanneer het woord eindigt op een medeklinker of een y, komt er –es achter. In het Spaans komen de lidwoorden en bijvoeglijke naamwoorden qua geslacht en getal overeen met het zelfstandig naamwoord.

Bijvoeglijke naamwoorden
Een groot verschil met het Nederlands is de plaats van het bijvoeglijk naamwoord in het Spaans. De regel is namelijk dat het bijvoeglijk naamwoord achter het zelfstandig naamwoord staat. Ook hier zijn uitzonderingen op. Deze regel zou voor problemen kunnen zorgen wanneer het Nederlands wordt geleerd. Het bijvoeglijk naamwoord past zich aan qua geslacht en getal aan het zelfstandig naamwoord. Niet alleen wanneer het bijvoeglijk naamwoord direct achter het zelfstandig naamwoord staat, maar ook als het bijvoeglijk naamwoord op een andere plaats in de zin staat en het betrekking heeft op een zelfstandig naamwoord. Bijvoorbeeld: la casa es nueva (het huis is nieuw). Het meervoud van het bijvoeglijk naamwoord wordt op dezelfde manier gevormd als bij het zelfstandig naamwoord.

Lidwoorden

Enkelvoud
Meervoud
Mannelijk
el
los
Vrouwelijk
la
las
Het onbepaalde lidwoord is un voor mannelijke woorden en una voor vrouwelijke woorden. Het meervoud hiervan, unos en unas wordt voornamelijk gebruikt in de betekenis enkele/een paar. Het lidwoord wordt in sommige gevallen anders gebruikt dan in het Nederlands. Dit zou voor problemen kunnen zorgen wanneer de Nederlandse taal wordt aangeleerd vanuit het Spaans. Zo wordt er in het Spaans geen bepaald lidwoord gebruikt in bijstellingen waarvan de inhoud als bekend wordt verondersteld. Bijvoorbeeld: Madrid, capital de España (Madrid, de hoofdstad van Spanje). Ook bij rangtelwoorden in titels (Carlos quinto: Carlos de vijfde) en voor jaargetijden en vervoersmiddelen die niet omschreven worden, gebruikt men in het Spaans geen lidwoord. Verder wordt het onbepaald lidwoord anders gebruikt dan in de Nederlandse taal. Het wordt namelijk alleen gebruikt bij een telbaar zelfstandig naamwoord. Het onbepaald lidwoord wordt in het Spaans niet gebruikt wanneer het gaat om het soort of de categorie in plaats van een concreet exemplaar. Dit komt voornamelijk voor in combinatie met tener (hebben): ¿Tienes novio? (Heb je een vriendje?) Ook wordt er geen onbepaald lidwoord gebruikt voor de bijvoeglijke naamwoorden cierto, medio, otro, semejante en tal (in de betekenis van een dergelijke). Daarnaast gebruikt men geen lidwoord voor uitdrukkingen die een onbestemde hoeveelheid aangeven (hay cantidad de turistas: er zijn een heleboel toeristen). Tenslotte wordt het onbepaald lidwoord vaak weggelaten in uitroepen (¡Qué día más hermoso! Wat een prachtige dag!).

Werkwoorden
Het Spaans behoort tot de pro-drop talen. Dit houdt in dat het onderwerp vaak niet expliciet benoemd wordt in een zin, deze wordt uitgedrukt in de uitgang van de persoonsvorm. Het onderwerp wordt alleen gebruikt als de spreker een persoon wil benadrukken. Dit is een groot verschil met het Nederlands en zou ervoor kunnen zorgen dat Spaanse leerders van het Nederlands moeite hebben met het expliciete onderwerp.

Tegenwoordige tijd
De regelmatige werkwoorden kunnen ingedeeld worden in drie groepen: werkwoorden op –ar, –er en –ir.

-ar
-er
-ir
1e persoon ev
-o
-o
-o
2e persoon ev
-as
-es
-es
3e persoon ev
-a
-e
-e
1e persoon mv
-amos
-emos
-imos
2e persoon mv
-áis
-éis
-ís
3e persoon mv
-an
-en
-en
Daarnaast zijn er nog onregelmatige werkwoorden, net als in het Nederlands. Toch heeft het Spaans veel meer verschillende werkwoordsvormen dan de Nederlandse taal. Elke grammaticale persoon heeft namelijk een andere werkwoordsuitgang. Daarnaast zijn er vele werkwoordstijden met elk een eigen uitgang. Bovenstaand schema heeft betrekking op de tegenwoordige tijd. Een andere vorm in de tegenwoordige tijd is de presente perfecto (voltooid tegenwoordige tijd). Deze wordt, net als in het Nederlands, gevormd door een vorm van haber (hebben) en een voltooid deelwoord.

Verleden tijd
Het Spaans kent meer verleden werkwoordstijden dan het Nederlands. Zo zijn er de indefinido, imperfecto en de pluscuamperfecto. De indefinido wordt gebruikt voor handelingen en gebeurtenissen die zich afspelen in een periode die de spreker als afgesloten beschouwt. Het drukt een begin, een verandering of een einde van een handeling of gebeurtenis uit. Bijvoorbeeld: Juan nació en 1918 (Juan is in 1918 geboren). De imperfecto beschrijft situaties en gewoontes in het verleden en gaat samen met zich steeds herhalende handelingen in het verleden. Bijvoorbeeld: Las mujeres no podían votar (Vrouwen mochten niet stemmen). De pluscuamperfecto beschrijft handelingen en gebeurtenissen die in het verleden voor een andere handeling hebben plaats gevonden. Bijvoorbeeld: Hasta entonces, los mujeres nunca habían votado (Tot dan hadden vrouwen nog nooit gestemd).

Naast deze werkwoordstijden zijn er nog twee werkwoordswijzen in het Spaans: de aantonende wijs (indicativo) en de aanvoegende wijs (subjuntivo). Binnen deze wijzen komen onder andere de verschillende werkwoordstijden voor die hierboven beschreven staan. De werkwoordswijze hangt af van de visie van de spreker. Met de indicativo geeft de spreker weer wat hij ervaart als de werkelijkheid, met de subjuntivo geeft de spreker zijn persoonlijke gevoelens en wensen aan over die werkelijkheid.

Syntaxis
De syntaxis gaat over de opbouw van een groep woorden of een zin. Eerst wordt ingegaan op de woordvolgorde van de Spaanse taal en vervolgens op de ontkenning.

Woordvolgorde
De woordvolgorde in het Spaans is hetzelfde als in het Nederlands: onderwerp- werkwoord- lijdend voorwerp. Maar het onderwerp kan ook achter het werkwoord staan. Net als in het Nederlands is dat het geval na een directe rede: ¿Qué le pasa? Preguntó ella (wat is er met u, vroeg zij). En ook in vraagzinnen komt het onderwerp achter het werkwoord. Een verschil met het Nederlands is de woordvolgorde wanneer de zin begint met een bijwoord en de spreker extra aandacht wil voor het onderwerp: Quizá lo sepas tú (misschien weet jij het). In de Spaanse zin staat het onderwerp achteraan. Dit kan voor problemen zorgen wanneer de Nederlandse taal wordt geleerd vanuit het Spaans. Een andere woordvolgorde is er ook bij sommige voornaamwoorden. Het persoonlijk voornaamwoord kan verschillende plaatsen in de zin aannemen, afhankelijk van de context. Voor meer informatie over dit onderwerp, zie de boeken in de literatuurlijst onderaan deze pagina.

Ontkenning
In het Spaans staat de ontkenning no (niet/geen) voor het vervoegde werkwoord: no tengo hambre (ik heb geen honger). Een dubbele ontkenning is ook mogelijk, in dat geval staat no voor het vervoegde werkwoord en het andere deel achter dat werkwoord: No lo sabe nadie (Dat weet niemand).

Samengestelde zinnen
In het Spaans zijn er bepaalde voegwoorden die gebruikt kunnen worden om meerdere zinnen aan elkaar te koppelen. Bij een nevenschikking worden twee onafhankelijke zinnen met elkaar verbonden. Veelgebruikte Nederlandse voegwoorden hiervoor zijn en, want, maar, of, dus. In het Spaans wordt dit op dezelfde manier gedaan als in het Nederlands, met bijvoorbeeld de volgende voegwoorden: y(en), pero(maar), entonces(dus), pues (dan).

Bij een onderschikking wordt een bijzin (of meerdere) aan een hoofdzin verbonden. De bijzin is dan een afhankelijke zin, omdat deze niet los van de hoofdzin kan staan. Voorbeelden van onderschikkende voegwoorden zijn como (aangezien), porque (omdat) en cuando (wanneer). Een bijzin kan ook relatief zijn. Dit betekent dat de bijzin wordt ingeleid met een betrekkelijk in het Spaans, zoals: que, quien, el que, el qual en cuyo (/cuya/cuyos/cuyas). Vaak wordt ‘que’ gebruikt. Hiermee kunnen zowel dingen als personen worden aangeduid. Wanneer er een lidwoord voor ‘que’ staat, betekent dit ‘degene die/dat’. Het lidwoord moet dan overeenkomen met het geslacht van het zelfstandig naamwoord waar het naar verwijst. Als het echter om personen gaat en er iets tussen het betrekkelijk voornaamwoord en de antecedent staat, wordt vaak ‘quien’ gebruikt. Dit betekent ook ‘die’. Als het verwijst naar meerdere personen, wordt het ‘quien’. ‘Cuyo’ wordt gebruikt als het gaat om de eigenaar van iets. Dit kan aangepast worden op mannelijk, vrouwelijk, enkelvoud en meervoud.

Pragmatiek
De pragmatiek gaat over het gebruik van taal binnen een cultuur. Hoe wordt de taal ingezet om te communiceren? Er lijken geen grote verschillen in pragmatiek te zijn tussen het Spaans en het Nederlands. Voor meer informatie over dit onderwerp, zie Márquez-Reiter & Placencia (2004).

3. Verwervingsvolgorde


In onderstaande tabel is een vergelijking gemaakt tussen de verwervingsvolgorde van de Nederlandse en Spaanse taal. De verwervingsvolgorde van de Spaanse fonologie lijkt overeen te komen de volgorde van de verwerving in het Nederlands. Ook op het gebied van vocabulaire/morfologie en syntaxis lijken weinig verschillen te zijn. Een opvallend verschil met andere talen is dat Spaanse kinderen zogenaamde filler syllables gebruiken. Dit is een klank die voor het zelfstandig naamwoord staat in plaats van een lidwoord of bijvoeglijk naamwoord. In sommige talen komt dit verschijnsel meer voor dan in andere talen. Voor meer informatie over dit onderwerp, zie Silvina (2004).

Opvallend is dat kinderen die een pro-drop taal verwerven veel minder gebruik maken van zogenaamde root infinitives. Dit zijn zinnen waar een niet-vervoegd werkwoord in voorkomt, zoals jij eten maken. In Romaanse pro-drop talen bestaat 3 tot 16 procent van de zinnen uit deze root infinitives, in het Nederlands is dit 56%. Dit komt doordat in de pro-drop talen het onderwerp besloten zit in de werkwoordsvorm (Wexler 1994, Sano & Hyams 1994, Guasti 2002, Hyams 2001). Er is in het Spaans wel een periode waarin de kinderen meer gebruik maken van de root infinitives, maar eerder dan in andere talen en de periode is korter (Bel, 2001). Bel heeft ook een ander verschil met de Nederlandse taalverwerving onderzocht: in het Spaans worden werkwoorden vanaf vrijwel de eerste uiting vervoegd.

Leeftijd
Fonologie Nederlands
Fonologie Spaans
Vocabulaire/ Morfologie Nederlands
Vocabulaire/ Morfologie Spaans
Syntaxis & elementen Nederlands
Syntaxis & elementen Spaans
1;0-1;6
p, t, m, n, j (1;6)
Dezelfde volgorde als in het Nederlands:
- eerst nasale klanken en de stopklanken
- l & r worden als laatste geleerd


N, V (infinitief)
1-woord fase (zelfstandig naamwoord als eerste), fillers
1;6-2;0
k, s, g, h (2;0)
verkleinwoorden, 2e/3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd
lidwoorden
S, V, A (+ die/dat en de/het/een, persoonlijk voornaamwoord)
lidwoorden, fillers, voegwoord plus deelzin (dat hij...)
2;0-2;6
b, f, w (2;3)
d, l, r, sj (2;6)
meervoud, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd, voltooid deelwoord
meervoud
S, V, A, O, C (koppelwerkwoord, hulpwerkwoord, bijvoeglijk naamwoord, voorzetsels)

2;6-3;0
r & l kunnen nog lastig zijn tot 5;6 jaar
o.v.t.

S, V, A, O, C, Q (possessief,

3;0-3;6

toekomende tijd
samengestelde zinnen
overeenkomst met geslacht, samengestelde zinnen
3;6-4;0


er

4;0-5;6




>5;6


eventueel nog moeite met enkele sterke werkwoorden en wat vaste fouten (weiniger, hem hoofd) en reflexief en beeldspraak




4. Taalstoornissen in het Spaans


Uit onderzoek van Restrepo (1995) komt naar voren dat Spaanssprekende kinderen met een taalstoornis meer fouten maken dan normaal ontwikkelende kinderen op de volgende gebieden:
  • Het weglaten van voorzetsels en bepalingen (zinsdeel dat geen onderwerp, gezegde of voorwerp is).
  • Het geslacht en/of getal van onderwerp en werkwoord komen niet met elkaar overeen.
  • Het geslacht van de bepaling klopt niet.

Daarnaast gebruiken kinderen met een taalstoornis minder verschillende grammaticale morfemen (Bedore & Leonard 2001). Dit kwam het meeste voor bij morfemen die met het zelfstandig naamwoord te maken hadden zoals de overeenkomst tussen bijvoeglijk en zelfstandig naamwoorden.

Onderstaand een tabel met de verwisselfouten van Spaanssprekende kinderen met een TOS (gemiddelde leeftijd 3;11 tot 5;6).
17a.png
In de bovenste rij de verschillende werkwoordsvormen, in de meest linkse kolom staan diezelfde vormen en andere soorten uitingen (andere fout/geen respons etc.). In de tabel staat hoe vaak de kinderen de verschillende vormen gebruikten per werkwoordsvorm. Dus bijvoorbeeld, op plekken waar derde persoon, enkelvoud, tegenwoordige tijd gebruikt moest worden, werd dat 97 van de 156 keer gedaan. Er werd 11 keer een infinitief gebruikt. Op plekken waar eerste persoon, meervoud, verleden tijd gebruikt moest worden werd dat 121 van 156 keer gedaan, 2 keer werd eerste persoon, enkelvoud, tegenwoordige tijd gebruikt.
Bron: Bedore en Leonard (2001).

5. Samenvatting


Het Spaans is een wereldtaal die overeenkomsten vertoont met het Nederlands. Toch zijn er ook verschillen tussen beide talen. Op het gebied van fonologie valt op dat het Spaans enkele andere klanken kent en dat de uitspraak van sommige letters verschilt met die van het Nederlands. De verwervingsvolgorde van de letters lijkt hetzelfde. Op het gebied van morfologie is de overeenkomst in geslacht tussen woorden belangrijk. Verder zijn er meer werkwoordstijden in het Spaans dan in het Nederlands. De verwervingsvolgorde van de morfosyntactische elementen verschilt vrijwel niet van de Nederlandse volgorde. Opvallend is wel het verschil in het verwerven van werkwoorden, in pro-drop talen worden veel minder root infinitives gebruik dan in het Nederlands. Ook worden werkwoorden in het Spaans vrijwel meteen vervoegd, hier ligt namelijk het onderwerp in besloten. Op het gebied van taalstoornissen worden morfosyntactische elementen genoemd als probleemgevallen. Dit is ook in het Nederlands het geval. Kinderen met een taalstoornis laten in het Spaans bepaalde (grammaticale) woorden weg en hebben problemen met de overeenkomst in geslacht en/of getal tussen woorden. Ook wordt het gebruik van minder verschillende morfemen als verschil met normaal ontwikkelende kinderen genoemd.

Literatuurlijst
Algemene informatie
  • Hernández-Campoy, J. M. (2011). Variation and identity in Spain. In M. Díaz-Campos (Red.), The handbook of Hispanic sociolinguistics (pp. 704-727). Oxford, Verenigd Koninkrijk: Wiley-Blackwell.
  • Thompson, R. W. (1992). Spanish as a pluricentric language. In M. G. Clyne (Red.), Pluricentric languages: Differing norms in different nations (pp. 45-70). Berlijn, Duitsland: Mouton de Gruyter.
  • Uriz, F. J., & Harling, B. (2003). En el mundo hispánico. Amsterdam, Nederland: Intertaal.

Taalstructuur
  • Brucart, J. M. (1992). Some asymmetries in the functioning of relative pronouns in Spanish. Catalan Working Papers in Linguistics, 2, 113-143.
  • Görrissen, M., Häuptle-Barceló, M., Sánchez Benito, J., Beucker, V., Martín Luengo, P., Voigt, B., & Wiener, B. (2005). Caminos nieuw 1 tekstboek en werkboek. Amsterdam, Nederland: Intertaal.
  • Márquez-Reiter, R., & Placencia, M. E. (Red.). 2004. Current trends in the pragmatics of Spanish. Amsterdam, Nederland: John Benjamins.
  • Van Esch, K. (2005). Wolters’ Spaans in je pocket. Groningen/Houten, Nederland: Wolters-Noordhoff.
  • Werkgroep Hispagram. (1995). Basis grammatika Spaans. Bussum, Nederland: Uitgeverij Coutinho.

Verwervingsvolgorde
  • Bel, A. (2001). Teoría lingűística i adquisició del llenguatge: Analisi comparada del trets morfologics en Catala i en Castella. Barcelona, Spanje: Institut d'Estudis Catalans.
  • Guasti, M. T. (2002). Language acquisition: The growth of grammar. Cambridge, MA: MIT Press.
  • Hyams, N. (2001). Now you hear it, now you don't: The nature of optionality in child grammars. In A. H.-J. Do, L. Domínguez & A. Johansen (Red.), Proceedings of the 25th annual Boston University Conference on Language Development (pp. 34-58). Sommerville, MA: Cascadilla Press.
  • Macarena Navarro, P. (2007). Adquisición del lenguaje: Orden de adquisición de las consonantes en la lengua Española. Revista Internacional de Filología y su Didáctica, 30, 297-336.
  • Sano, T., & Hyams, N. (1994). Agreement, finiteness and development of null arguments. Proceedings of NELS, 24, 543-558.
  • Silvina, A. (2004). The acquisition of Spanish: Morphosyntactic development in monolingual and bilingual L1 acquisition and adult L2 acquisition. Amsterdam, Nederland: John Benjamins.
  • Wexler, K. (1994). Optional infinitives, head movement and the economy of derivations. In D. Lightfoot & N. Hornstein (Red.), Verb movement (pp. 305-363). Cambridge, Verenigd Koninkrijk: Cambridge University Press.

Taalstoornissen in het Spaans